AANNEMERS OPGELET: “OVERLAST, ERGERNIS EN ONGEMAK BEPALEN DE SUBJECTIEVE WAARDE VAN EEN PRESTATIE”

De Rechtbank Noord-Holland , sector kanton, heeft onlangs geoordeeld dat in geval van een gedeeltelijke ontbinding van een (aannemings-)overeenkomst door de opdrachtgever vanwege een tekortkoming in de nakoming daarvan, waarbij de reeds ontvangen prestaties niet ongedaan kunnen worden gemaakt, een vergoeding daarvoor op grond van artikel 6:272 lid 2 BW in de plaats treedt, die moet worden beperkt tot het bedrag van de waarde die de prestatie voor de ontvanger in de gegeven omstandigheden werkelijk heeft gehad.

De casus

Aannemer heeft de opdracht gekregen om een verbouwing van een woonhuis te realiseren. De verbouwing verloopt niet naar wens en er worden door opdrachtgevers diverse gebreken geconstateerd. De gebreken en de tekortkomingen zijn dermate ernstig dat de opdrachtgevers de overeenkomst gedeeltelijk willen ontbinden en vergoeding van hun schade vorderen. De aannemer betwist alle gestelde tekortkomingen en vordert betaling van de nog openstaande facturen.

In de procedure komt vast te staan dat de aannemer inderdaad tekort is geschoten en dat de aannemer aansprakelijk is voor de schade van opdrachtgevers. Bovendien oordeelt de kantonrechter dat er sprake is van een tekortkoming die ontbinding in de zin van artikel 6:265 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) rechtvaardigt.

Aannemer geeft aan in de gelegenheid te willen worden gesteld om de herstelwerkzaamheden zelf uit te voeren, maar de kantonrechter vindt dat opdrachtgevers de aannemer meer dan voldoende tijd en gelegenheid hebben geboden om alsnog aan zijn verplichtingen te voldoen. Dat heeft hij -tot aan de procedure- geweigerd, omdat aannemer eerst haar openstaande facturen betaald wilde hebben.

Wat zijn de gevolgen van een gedeeltelijke ontbinding?

Het gevolg van een gedeeltelijke ontbinding is dat partijen worden bevrijd van de nakoming van de gemaakte afspraken en voorzover de afspraken al zijn nagekomen, moeten deze ongedaan gemaakt worden, voor zover dat nog mogelijk is.[1] Als ongedaanmaking niet meer mogelijk is, moet er voor de reeds verrichtte werkzaamheden een vergoeding worden betaald. Deze vergoeding betreft niet de economische waarde van de werkzaamheden, maar de subjectieve waarde voor de opdrachtgevers.[2]

In onderhavige zaak oordeelde de kantonrechter dat bij het vaststellen van de subjectieve waarde ook rekening gehouden moet worden met de hoeveelheid overlast, ergernis, ongemak en extra kosten die opdrachtgevers hebben gehad. Daarbij stelt de kantonrechter in de eerste plaats dat het van belang is dat de opdrachtgevers inmiddels al geruime tijd geconfronteerd worden met de omstandigheid dat in hun woning sprake is van een verbouwing die op veel en belangrijke punten niet deugdelijk is uitgevoerd. De kantonrechter neemt verder als vaststaand aan dat dit bij de opdrachtgevers heeft geleid en nog altijd leidt tot overlast, ergernis en ongenoegen, hetgeen voor hen de werkelijke waarde van de verrichte werkzaamheden beperkt. Verder weegt mee dat opdrachtgevers opnieuw herstelwerkzaamheden zullen moeten laten uitvoeren, hetgeen opnieuw leidt tot overlast, ongemak en kosten. Gelet op het voorgaande stelt de kantonrechter in deze zaak vast dat de subjectieve waarde van de werkzaamheden 50% van de economische waarde vertegenwoordigd.

Hoe de kantonrechter tot deze vaststelling is gekomen, wordt in het vonnis niet nader toegelicht. Dat is jammer, want ongemak, ergernis en overlast hebben geen directe invloed op de waarde van het product. Mooi of lelijk kan wel iets doen met de subjectieve waarde van een product, maar ongemak of overlast? Een simpel, gechargeerd, voorbeeld om een en ander te verduidelijken: stel, u koopt een blauwe auto voor € 10.000,-. Per abuis krijgt u een oranje auto geleverd. Om de auto in de gewenste blauwe kleur te laten spuiten, moet er € 2000,- aan herstelkosten betaald worden. De economische waarde van de auto is nu nog € 8000,-. Maar zegt deze kantonrechter, omdat je ongemak en overlast van de oranje auto hebt gehad, is de subjectieve waarde van deze auto, die nu wel blauw is, nog maar € 4000,-.

STIPT. advocaten is erg benieuwd wat een Hof Amsterdam hiervan zou vinden, want hier bekruipt toch het gevoel dat een tombola hier de uitkomst heeft bepaald…

 

 

 

[1] Uit artikel 6:271 BW volgt dat een ontbinding partijen bevrijdt van de daardoor getroffen verbintenissen, maar voor zover deze reeds zijn nagekomen, blijft de rechtsgrond voor deze nakoming in stand en ontstaat voor partijen een verbintenis tot ongedaanmaking van de reeds door hen ontvangen prestaties.
[2]  Sluit de aard van de prestatie uit dat zij ongedaan wordt gemaakt, dan treedt daarvoor blijkens artikel 6:272 lid 1 BW een vergoeding in de plaats ten belope van haar waarde op het tijdstip van de ontvangst. Artikel 6:272 lid 2 BW bepaalt dat als de prestatie niet aan de verbintenis heeft beantwoord, deze vergoeding wordt beperkt tot het bedrag van de waarde die de prestatie voor de ontvanger op dit tijdstip in de gegeven omstandigheden werkelijk heeft gehad.