Hoofdaannemer of onderaannemer? Wie spreekt u aan?

Een opdrachtgever heeft een nieuw woonhuis laten bouwen en daarbij een tuin laten aanleggen en inrichten. Voor de uitvoering van de werkzaamheden heeft de opdrachtgever een hoofdaannemer, een tuinarchitect, een hoveniersbedrijf en aannemer X ingeschakeld. Van belang is dat aannemer X een deel van zijn werkzaamheden in opdracht van de hoofdaannemer heeft uitgevoerd (in onderaanneming) en een deel rechtstreeks in opdracht heeft gekregen van de opdrachtgever.
De opdrachtgever klaagt uiteindelijk over diverse gebreken. Eén van die gebreken zou bestaan uit wateroverlast in de voortuin en bij de oprit van de woning. Die wateroverlast ontstaat na perioden van hevige regenval.

Nadat de rechtbank zijn vorderingen grotendeels had afgewezen, vordert de opdrachtgever in hoger beroep rechtstreeks schadevergoeding van aannemer X. Het ging daarbij deels om werkzaamheden die X in onderaanneming van de hoofdaannemer had uitgevoerd.

Bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch lag onder meer de vraag voor of de opdrachtgever wel een (rechtstreeks) vorderingsrecht had op aannemer X. Het gerechtshof beantwoordde deze vraag op 26 januari 2016[1] ontkennend.

Wat was er aan de hand?

Nadat de opdrachtgever de wateroverlast bij de voortuin en oprit signaleerde, heeft hij onderzoek laten doen.

Uit de uitgevoerde inspectie kwam naar voren dat de lekkage aan de tuinzijde meerdere oorzaken zou hebben, namelijk: (a) doordat er onvoldoende spitwerk zou zijn verricht in de ondergrond die was gebruikt als bouwweg tijdens de bouw van de woning. Daarnaast (b) zou, waar wel spitwerk was verricht, dit in natte condities zijn gebeurd, waardoor de grond teveel zou zijn verdicht. Tenslotte (c) zou er onvoldoende drainage zijn aangebracht. De wateroverlast bij de oprit zou eveneens het gevolg zijn van onvoldoende drainage.

Aannemer X heeft de vorderingen van de opdrachtgever bestreden. Zijn belangrijkste argument: de opdrachtgever had niet hem, maar de hoofdaannemer moeten aanspreken, in ieder geval waar het de grond- en drainagewerkzaamheden betreffen. Die werkzaamheden heeft aannemer X namelijk als onderaannemer verricht en niet – rechtstreeks – in opdracht van opdrachtgever. Schadeverhaal dient daarom plaats te vinden bij de hoofdaannemer, aldus aannemer X.

Het gerechtshof oordeelt:

Het gerechtshof oordeelt dat tussen partijen niet in geschil is dat de drainagewerkzaamheden rondom de woning door X als onderaannemer van opdrachtgever is uitgevoerd (en niet rechtstreeks in opdracht van de opdrachtgever). Voor eventuele gebreken met betrekking tot die werkzaamheden diende de opdrachtgever dan ook de hoofdaannemer – en niet onderaannemer X – aan te spreken.

Dit oordeel van het gerechtshof straalt af op de vordering die de opdrachtgever heeft ingesteld met betrekking tot een deel van de werkzaamheden door aannemer X in de voortuin van de woning van opdrachtgever, die aannemer X wel rechtstreeks in opdracht van de opdrachtgever heeft uitgevoerd.

Uit het inspectierapport van de opdrachtgever volgt namelijk niet eenduidig dat de schade in de voortuin zou veroorzaakt door aannemer X. In het rapport zijn dan wel drie (mogelijke) schadeoorzaken genoemd, maar 100% zekerheid biedt het rapport niet. Een – eenduidige – schadeoorzaak ontbreekt. Als blijkt dat schadeoorzaken bovendien deels betrekking hebben op werkzaamheden die aannemer X in onderaanneming heeft uitgevoerd (en waarvoor de opdrachtgever dus geen rechtstreekse aanspraak op aannemer X heeft) en deels op werkzaamheden die aannemer X rechtstreeks voor de opdrachtgever heeft uitgevoerd, is het zoekplaatje compleet. Het hof wijst de vorderingen van de opdrachtgever ten aanzien van de gestelde gebrekkige voortuin af. Het hof kan namelijk niet (voldoende) beoordelen of er wel sprake is van een gebrek waarvoor (uitsluitend) aannemer X verantwoordelijk is.

Een kleine overwinning volgt voor de opdrachtgever wel, als blijkt dat het gerechtshof oordeelt dat de lekkage bij de oprit van de woning van de opdrachtgever onder de verantwoordelijkheid van aannemer X kan worden gebracht. Aannemer X heeft de aanleg van de oprit namelijk rechtstreeks in opdracht van de opdrachtgever uitgevoerd. Als daar gebreken ontstaan, is aannemer X daarvoor wel verantwoordelijk, aldus het gerechtshof.

Als aannemer was X, aldus het gerechtshof, verantwoordelijk voor de goede afwatering. Omdat het gebrek aan de oprit volgens oordeel van het hof vaststaat, dient aannemer X de met herstel van dit gebrek samenhangende schade, aan opdrachtgever te vergoeden. Een bedrag van € 4.840,00.

Conclusie

Dit arrest van het gerechtshof onderstreept hoe belangrijk het is om – ook bij schade – te onderzoeken wie de partij is die voor die schade aansprakelijk is. Tussen een (door de hoofdaannemer ingeschakelde) onderaannemer en de opdrachtgever bestaat geen overeenkomst, terwijl juist de overeenkomst de beste basis biedt voor het instellen van een (succesvolle) vordering tot schadevergoeding. Dat lijkt in deze zaak door de opdrachtgever over het hoofd te zijn gezien. De vraag dringt zich dan op, waarom niet (ook) de hoofdaannemer is aangesproken voor de schade, desnoods in dezelfde procedure.

Daarnaast is het van belang om helder te schetsen waarom juist de aangesproken partij verantwoordelijk is voor een gesteld gebrek. Het aanspreken van de juiste contractspartij heeft namelijk weinig zin, als vervolgens de schade niet kan worden aangetoond. Het instellen van de vordering heeft ook geen zin als niet inzichtelijk kan gemaakt waarom de te bewijzen schade is te becijferen op het gevorderde bedrag of volledig is toe te rekenen aan de aangesproken partij. Kortom, zorgvuldigheid staat voorop! Deze – en meer – vragen dienen zeker te worden beantwoord, voordat een procedure wordt gestart. Dat voorkomt verrassingen achteraf.

[1] http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHAMS:2016:231