Waarom wordt de handhaving wet DBA uitgesteld tot 1/1/2018?

Op 2 februari jl. heeft de Eerste Kamer ingestemd met de Wet DBA. Echter, op dit moment is er te veel onrust en onzekerheid bij opdrachtgevers en opdrachtnemers over deze wet. Opdrachtgevers zijn terughoudend om zzp’ers in te huren en zzp’ers zijn bang hun opdrachten kwijt te raken. Dit leidt tot zorgen over werk en inkomen en heeft daarom een averechts effect.

Daarom is de handhaving van deze wet opgeschort tot de belangrijkste knelpunten zijn opgelost. Afgelopen vrijdag (18 november 2016) heeft de Staatssecretaris van Financiën, Eric Wiebes, besloten dat in ieder geval tot 1 januari 2018 door de Belastingdienst niet zal worden gehandhaafd.

De reden van dit uitstel is dat er een vicieuze cirkel is ontstaan, doordat opdrachtgevers terughoudend zijn om zzp’ers in te huren met als gevolg dat de praktijk niet laat zien hoe dit uitpakt, waardoor de onzekerheid blijft, met als gevolg dat zzp’ers weer niet worden ingehuurd. Deze cirkel moet worden doorbroken. De Belastingdienst zou in eerste instantie een coachende rol kunnen vervullen door aanwijzingen te geven bij controles en zekerheid te geven aan opdrachtgevers dat er geen naheffingen en boetes met terugwerkende kracht worden opgelegd. De Belastingdienst kan derhalve op de werkvloer duidelijk maken wat wel kan en wat niet (leermoment).

De Belastingdienst is gekomen met algemene modelovereenkomsten, voorbeeldovereenkomsten en individuele overeenkomsten. In de meeste gevallen bieden deze overeenkomsten wel zekerheid. Echter, velen herkennen zich niet in deze overeenkomsten, aangezien veel opdrachtgevers en opdrachtnemers het door het Burgerlijk Wetboek gemaakte onderscheid tussen een dienstbetrekking (gezagsverhouding, vrije vervanging) en de zelfstandigheid van de opdrachtnemer niet meer kunnen verenigen met hun manier van werken.

Een ander probleem is dat door de ketenbepaling in de Wet Werk en Zekerheid (WWZ) onvoldoende flexibiliteit aan opdrachtgevers en opdrachtnemers wordt geboden. Opdrachtgevers werken met medewerkers waarmee ze geen vast dienstverband willen aangaan en deze medewerkers ambiëren in de regel zelf ook geen vast dienstverband.

Een alternatief kan worden gezocht in het verruimen van de ketenbepaling. Voor zover de bedrijfsvoering dat vergt, kunnen opdrachtgevers voor bepaalde functies het aantal contracten – alvorens een vast contract ontstaat – verruimen van bijvoorbeeld drie naar zes en de termijn waarna een vast contract ontstaat verruimen van twee naar vier jaar.

Kortom, uit het bovenstaande volgt dat eerst de arbeidswetgeving zodanig moet worden aangepast, dat bonafide zzp’ers en hun opdrachtgevers niets meer te vrezen hebben van de Belastingdienst. Daarmee neemt de Staatssecretaris de onzekerheid in de arbeidsmarkt voorlopig weg.