De rol van de bestuurder en zijn aansprakelijkheidsrisico’s

Een bestuurder zit op de ultieme positie om het doel van de vennootschap na te streven. Als uitgangspunt geldt dat de bestuurder de vrijheid heeft om zelf te bepalen hoe hij aan zijn taak uitvoering geeft. Maar die vrijheid is niet onbeperkt. Als uitgangspunt geldt dat de vennootschap aansprakelijk is voor eventuele schulden die er worden gemaakt. Toch doet zich met enige regelmaat de situatie voor dat een bestuurder persoonlijk aansprakelijk voor deze schulden wordt gesteld. Soms naast de vennootschap en soms zelfs in plaats van de vennootschap.Het leerstuk van bestuurdersaansprakelijkheid is uitgebreid en omvangrijk. Een volledige uiteenzetting omvat een heel boekwerk, zelfs meerdere. Reden genoeg om de komende weken met behulp van vier heldere en leesbare artikelen de hoofdlijnen van bestuurdersaansprakelijkheid voor u uiteen te zetten.

Er zal in deze serie aandacht worden besteed aan de aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover de vennootschap (interne aansprakelijkheid), tegenover de belastingdienst, tegenover de curator in faillissement en tegenover andere schuldeisers.

Deel I – Verhouding tussen de bestuurder en de vennootschap

Artikel 2:9 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat elke bestuurder tegenover de rechtspersoon gehouden is tot een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak. Indien er meer bestuurders zijn, dan zijn zij in beginsel allemaal hoofdelijk (lees: voor het geheel) aansprakelijk, tenzij bepaalde tekortkomingen niet aan een bestuurder zijn te wijten en hij bovendien niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden.
Het artikel ziet op statutaire bestuurders en is op dezelfde manier van toepassing verklaard op commissarissen.

Voor aansprakelijkheid op basis van het zojuist genoemde artikel is vereist dat aan een bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. De Hoge Raad heeft in een belangrijk arrest over dit wetsartikel (Hoge Raad 10 januari 1997, JOR 1997, 29, Staleman / Van der Ven) beslist dat de vraag of in een bepaald geval sprake is van een ernstig verwijt, deze vraag beantwoord dient te worden aan de hand van alle omstandigheden van het geval.

Wat zijn deze omstandigheden? Een aantal voorbeelden:

1) de aard van de door de vennootschap uitgeoefende activiteiten;
2) de in het algemeen daaruit voortvloeiende risico’s;
3) de taakverdeling binnen het bestuur;
4) de eventueel voor het bestuur geldende richtlijnen;
5) de gegevens waarover de bestuurder beschikte of behoorde te beschikken ten tijde van de aan hem geweten beslissing of gedragingen;
6) het inzicht en zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult.

Van een ernstig verwijt is sprake bij opzet of bewuste roekeloosheid. Die situaties zullen zich niet snel voordoen. Wel doen bestuurders er verstandig aan hun besluitvorming -zeker over lastige of risicovolle beslissingen en onderwerpen- goed te documenteren, zodat zij in een later stadium in staat zijn aan te tonen hun taak met voldoende zorgvuldigheid en nauwgezetheid te hebben vervuld.

Indien een bestuurder in strijd handelt met de statutaire bepalingen, waaronder ook het doel van de vennootschap, kan hij aansprakelijk zijn. In de uitspraak (Hoge Raad 29 november 2002, JOR 2003/2, Schwandt / Berghuizer Papierfabriek) besliste de Hoge Raad namelijk dat de omstandigheid dat door een bestuurder is gehandeld in strijd met de statutaire bepalingen die de rechtspersonen beogen te beschermen in dit verband als een zwaarwegende omstandigheid moet worden aangemerkt die in beginsel tot aansprakelijkheid leidt.

De statuten van een vennootschap bevatten vaak de regeling dat de vaststelling van de jaarrekening decharge van het bestuur voor het gevoerde beleid inhoudt. Wel kan een bestuurder feiten en omstandigheden aanvoeren op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat het handelen in strijd met de statutaire bepalingen niet een ernstig verwijt oplevert. De statuten van een vennootschap bevatten vaak de regeling dat de vaststelling van de jaarrekening decharge van het bestuur voor het gevoerde beleid inhoudt. Een dergelijke decharge heeft alleen interne werking. Bovendien heeft de decharge een beperkte werking. Indien het bestuur geen of onjuiste informatie heeft verstrekt kunt u zich niet met succes op de decharge beroepen.