Aandeelhouder, zing eens een toontje lager

In zijn beschikking van 12 oktober jl. geeft de Ondernemingskamer een tikje op de vingers van Highfields, aandeelhouder van Delta Lloyd.

Highfields is eerder dit jaar een enquêteprocedure gestart tegen Delta Lloyd. In de eerste fase van zo’n procedure moet de verzoeker, vaak een aandeelhouder, aannemelijk maken dat er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid of een juiste gang van zaken –door het bestuur- te twijfelen.

In die eerste fase hoeft dus nog niet vast te komen staan dat er daadwerkelijk een onjuist beleid is gevoerd. Dat wordt in een latere fase van de procedure pas onderzocht. Wel moet een zodanig verzoek deugdelijk met feiten zijn onderbouwd. Partijen in deze zaak hebben ook zeker een uitgebreid feitelijk debat gevoerd. Op basis van dat debat komt de OK tot het oordeel dat er –kort gezegd- reden is voor twijfel.

Wat mogelijk ook een rol speelde, is de misvatting aan de kant van de aandeelhouder over de taken en verantwoordelijkheid van de bestuurder van een vennootschap. De OK overweegt: “Het staat Highfields vanzelfsprekend vrij om – binnen de grenzen van de in artikel 2:8 BW genoemde redelijkheid en billijkheid – als aandeelhouder haar eigen belangen te dienen. Sommige uitingen van Highfields duiden erop dat in haar visie ook het bestuur van Delta Lloyd zich uitsluitend, althans in overwegende mate, dient te laten leiden door de belangen van de aandeelhouders. Zo schrijft Highfields op 21 december 2015 aan Berger (commissaris van Delta Lloyd (zie 2.30)) onder meer: “(…) the board has an obligation to act in the interest of shareholders” en in haar presentatie van 1 maart 2016 (zie 2.41) onder meer: “Management Should Create Value for Shareholders, Not Compete to Have the Highest Capital Ratio” en “(…) management has the wrong incentives (…) Delta Lloyd management has no economic alignment with shareholders; CEO Hans van der Noordaa does not own a single share”.

In het licht daarvan komt het de Ondernemingskamer dienstig voor om – zonder vooruit te lopen op de beoordeling van de door Highfields naar voren gebrachte bezwaren tegen het beleid en de gang van zaken van Delta Lloyd – het volgende voorop te stellen, ontleend aan HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:799 (Cancun). Bij de vervulling van hun taak dienen de bestuurders zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming te richten (vlg. artikel 2:129/239 lid 5 BW). Wat dat belang inhoudt, hangt af van de omstandigheden van het geval. Indien, zoals hier, aan de vennootschap een onderneming is verbonden, wordt het vennootschapsbelang in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming. Bij de vervulling van hun taak dienen bestuurders voorts, mede op grond van het bepaalde in artikel 2:8 BW, zorgvuldigheid te betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken. Deze zorgvuldigheidsverplichting kan meebrengen dat bestuurders bij het dienen van het vennootschapsbelang ervoor zorgen dat daardoor de belangen van al degenen die bij de vennootschap of haar onderneming zijn betrokken niet onnodig of onevenredig worden geschaad.

Tegen die achtergrond geeft de ter zitting van 30 juni 2016 bij monde van Van der Noordaa verwoorde opvatting van Delta Lloyd dat haar verzekerden en haar polishouders behoren tot haar belangrijkste stakeholders, en dat Delta Lloyd niet uitsluitend de belangen van haar aandeelhouders in acht heeft te nemen geen blijk van een onjuiste opvatting over de door het bestuur van Delta Lloyd bij de vervulling van zijn taak in acht te nemen belangen.

De Ondernemingskamer roept ook in herinnering dat, zoals is overwogen in HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7972 (ABNAMRO), en in HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0976 (ASMI), de te volgen strategie in beginsel een aangelegenheid is van het bestuur en het aan het bestuur is, onder toezicht van de raad van commissarissen, te beoordelen of, en in hoeverre, het wenselijk is daarover in overleg te treden met externe aandeelhouders. Het bestuur van een vennootschap heeft weliswaar aan de algemene vergadering van aandeelhouders verantwoording af te leggen van zijn beleid maar is, behoudens afwijkende wettelijke of statutaire regelingen, niet verplicht de algemene vergadering van aandeelhouders vooraf in zijn besluitvorming te betrekken als het gaat om handelingen waartoe het bestuur bevoegd is.”

De OK geeft expliciet aan dat hij met deze overwegingen niet vooruitloopt op zijn beoordeling van de inhoudelijke bezwaren van Highfields. Die bezwaren werden evenwel ongegrond bevonden, althans onvoldoende om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen. Voor het inhoudelijke debat en de beoordeling daarvan, zie http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHAMS:2016:4056

Kortom: bestuurder, houd uw rug recht! U dient primair het belang van de vennootschap en het is in beginsel aan u om de strategie daarbij te bepalen.

Wilt u meer weten over de enquêteprocedure, de positie van de bestuurder, de overige interne verhoudingen binnen de vennootschap en/of over aandeelhoudersgeschillen. Neem dan contact op met de specialisten van STIPT.